Voor alle bedrijfsleiders: wat zijn de fiscale gevolgen van de niet-toekenning van een minimumbezoldiging?

Vennootschappen die niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een jaarlijkse bezoldiging toekennen van € 45.000,00, lopen sinds 2018 een dubbele sanctie op. Ten eerste hebben ze geen recht op het verlaagd tarief en moeten ze een afzonderlijke aanslag betalen van 5,1% (voor aanslagjaren 2019 en 2020) op het verschil tussen de minimumbezoldiging en het effectief uitgekeerde bedrag.

Indien het belastbaar resultaat (na het uitbetalen van de bezoldiging) lager is dan € 45.000,00, dan volstaat het dat de vennootschap een bezoldiging betaalt die minstens gelijk is aan de behaalde winst.

De bijkomende aanslagvoet van 5,1% is moeilijk te berekenen, vooral wanneer de minimumbezoldiging de helft van het resultaat vóór aftrek van de bezoldiging moet zijn.

Indien het belastbaar resultaat van vennootschap Janssens € 42.000,00 zou bedragen en de bezoldiging van de zaakvoerder zou € 18.000,00 bedragen, dan heeft de vennootschap € 12.000,00 (30.000,00 – 18.000,00) te weinig betaald aan de bedrijfsleider en moet men op dat verschil een bijkomende aanslag van 5,1% (€ 612,00) betalen.

Berekening wettelijke minimumbezoldiging: 42.000 + 18.000 = 60.000/2 = 30.000.

In dergelijke situatie worden wij geconfronteerd met een berekeningsprobleem om de geraamde belastingen te bepalen. Deze afzonderlijke aanslag is namelijk zelf ook een aftrekbare beroepskost, waardoor de belastbare winst in ons voorbeeld lager ligt dan € 42.000,00. En een lagere winst betekent een lagere wettelijk minimumbezoldiging, wat dan weer het belastbaar resultaat beïnvloedt. Deze berekening draait dus in cirkels en is dus complex. Voor ons voorbeeld zakt de berekeningsbasis naar € 11.701,61. De afzonderlijke aanslag bedraagt dan € 596,78 (11.701,61 x 5,1%). 

Overzicht nieuwsberichten